Menu

Kwaliteit thuiszorg lager door bureaucratie

19 juni 2008 - Medisch

De kwaliteit van de thuiszorg voor ouderen in Nederland laat te wensen over. Dat concludeert onderzoeker Hannerieke van der Boom van de Universiteit Maastricht. Een belangrijke oorzaak is een teveel aan bureaucratie, zegt zij donderdag.

Van der Boom onderzocht de kwaliteit van de wijkverpleging in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Denemarken. De resultaten legde zij vast in haar proefschrift ‘Home nursing in Europe’, waarop ze woensdag hoopt te promoveren. Van de vier onderzochte landen komt Denemarken als beste uit de bus.

De mindere kwaliteit van de Nederlandse thuiszorg is vooral te wijten aan de bureaucratie. ‘Qua beschikbaarheid scoort Nederland goed. Er zijn voldoende instellingen. Ook is het niveau van de zorg relatief hoog: er zijn goede opleidingen en deskundige medewerkers. Het probleem is dat bij ons de bureaucratisering een grote rol speelt in het primaire proces. Er zou meer moeten worden overgelaten aan de zorgverleners zelf’, vindt Van der Boom.

Een van de belangrijkste aanbevelingen die de onderzoeker doet is het terugbrengen van de zogeheten indicatiestelling naar de wijkverpleegkundige. ‘Dat wordt nu gedaan door het Centrum indicatiestelling zorg, maar daarmee is een tussenstap gecreëerd tussen het vaststellen van de zorgbehoefte en de uitvoering ervan. Er wordt te weinig bij de mensen thuis gekeken wat ze nodig hebben.’

(Bron Elsevier/Novum)

Aanvullende info (UniMaas.nl)

Toen gezondheidswetenschapper prof. dr Hans Philipsen zijn vijftigste promovendus had begeleid, kreeg hij tien jaar geleden een ‘vrije promotieplaats’ aangeboden. Hannerieke van der Boom werd hierop aangenomen en kreeg als eerste opdracht een onderwerp te kiezen dat draaide rond professionalisering van beroepen in de gezondheidszorg, ‘liefst internationaal vergelijkend’. Tien jaar later ligt er een flink boekwerk: Home Nursing in Europe, waarin de tot dan toe gefragmenteerde literatuur over wijkverpleging in diverse landen gebundeld en geanalyseerd is.
Het beschrijft de wijkverpleging in Nederland (hier Thuiszorg genoemd), Duitsland, Frankrijk en Denemarken in al haar facetten. Het doel: het verkrijgen van inzicht in internationale verschillen in de wijkverpleging in Europa en de achtergrond van die verschillen. Hannerieke van der Boom: “De ontwikkeling in Nederland van de afgelopen twintig jaar lijkt heel vanzelfsprekend, maar aan de hand van zo’n vergelijkend onderzoek, kun je vraagtekens zetten bij die vanzelfsprekendheid. Dan zie je dat de bureaucratie in vergelijking met andere landen in Nederland ver is doorgeschoten, met alle gevolgen van dien.”

Eén zin
De reden dat ze juist deze vier landen onder de loep nam, is dat ze geografisch bij elkaar liggen en dus een aantal kenmerken delen, maar tegelijkertijd belangrijke maatschappelijke, politieke en culturele verschillen kennen, die invloed hebben op wijkverpleging. Het in één zin karakteriseren van die verschillende soorten wijkverpleging valt niet mee na tien jaar onderzoek, maar Van der Boom waagt toch een poging. “In Denemarken staat de wijkverpleging op een hoog peil; ze is goed beschikbaar voor mensen, relatief goedkoop en er is veel waardering voor de professionaliteit van wijkverpleegkundigen en de rol van familieleden is beperkt tot ondersteuning van professionals. Goed geregeld dus. In Frankrijk is het niet overal beschikbaar, de beroepsgroep is gefragmenteerd, het werk sterk medisch-technologisch van aard en het maatschappelijk minder geaccepteerd hulp in huis te halen. Men doet, net als in Duitsland, liever een beroep op de familie. In Duitsland is dat wel iets minder sterk, daar zie je dat ouderen vooral als een last worden ervaren, ook door de grote omvang van die populatie. De zorg is meer op instituties gericht dan op thuiswonenden.”
Van Nederland had de promovenda bij het begin van de studie het idee dat de wijkverpleging op een hoog peil stond. “Het is ook overal beschikbaar, wijkverpleegkundigen hadden nog een aardige autoriteit naast artsen, hun niveau was goed. Maar de laatste tien à twintig jaar is dat langzaamaan afgebrokkeld. De zorg is gebureaucratiseerd. Wijkverpleegkundigen rennen van de ene naar de andere patiënt, moeten iedere minuut registeren, waardoor het zetten van de handtekening door de patiënt soms langer duurt dan het verlenen van de zorg. Je zou kunnen concluderen dat de zorg nog wel beschikbaar is, maar dat het ver is doorgeschoten in de bureaucratisering. En dat heeft een aantal negatieve gevolgen.”

Telefonische indicatie
Van der Boom noemt bijvoorbeeld de indicatiestelling, die vroeger door de verpleegkundige thuis werd gedaan, maar nu door het CIZ. De wijkverpleging valt nog steeds onder de AWBZ, maar de gezinszorg is nu overgegaan naar de WMO, waarbij de (her)indicatie door gemeenten soms zelfs via de telefoon wordt gedaan, zonder thuis bij de cliënt de situatie te beoordelen. “Een zorgelijke ontwikkeling.” Ouderen betalen tegenwoordig geen tien tot vijftien gulden per jaar zelf bij in de vorm van lidmaatschap van een lokale Kruisorganisatie, maar tien tot vijftien euro per uur. “Dat verhoogt de drempel om een beroep te doen op zorg, waardoor het beroep op mantelzorgers groeit. Er zijn in Nederland cursussen om mantelzorgers te professionaliseren, omdat de echte professionals steeds minder taken mogen of kunnen uitvoeren. Dat zou in Denemarken ondenkbaar zijn.” Al deze ontwikkelingen maken het beroep van wijkverpleegkundige ook minder aantrekkelijk. “Er is hier sprake van deprofessionalisering van de zorg. Het meest zorgelijk is in mijn ogen dat de thuiszorg als ‘product’ gezien wordt, dat je vergelijkbaar met een pak suiker kunt kopen of niet. Ook het argument dat thuiszorg goedkoper is dan het ziekenhuis of verpleeghuis wordt nauwelijks meer genoemd. De drijfveer van de overheid is vooral kostenbesparing geworden. De marktgerichtheid heeft echter nadelen en onrust tot gevolg.”

Betaalbaar
Ze vraagt zich wel af of Nederlanders een model zoals in Denemarken, waar de welvaartsstaat publiek georganiseerde gezondheidszorg en maatschappelijke zorg garandeert met behulp van relatief hogere belastingen, nog betaalbaar zouden vinden. “Er is ook niet één universeel, ideaal model denkbaar dat in elk land toepasbaar is. Daarvoor is wijkverpleging te zeer afhankelijk van de normen en waarden in een land over hoe ouderen zouden moeten leven, maar ook van het politieke klimaat en andere maatschappelijke factoren. Maar als ik iets kon adviseren op het gebied van beleid rond wijkverpleging in Nederland, zou ik in ieder geval de indicatie weer door de wijkverpleegkundigen of thuiszorginstellingen laten doen. De diagnose van de hulpvraag en signalisering van eventuele verslechtering van de situatie van de cliënt zijn namelijk belangrijke aspecten van het beroep wijkverpleging. Dat maakt het werk leuker, de zorg beter toegesneden op de vraag en de lijnen korter, dus minder bureaucratie.”
Bureaucratie die volgens de promovenda ook voortkomt uit onze cultuur. “Protocollering is goed, want het maakt inzichtelijk wat wordt gedaan. Een verpleegkundige kan nu eenmaal niet drie uur bij iemand blijven hangen. Maar nu is het doorgeslagen. En de vele aanpassingen de laatste jaren van het zorgsysteem in Nederland hebben voor veel onrust gezorgd. Minder productiegericht, meer lange termijn- en cliëntgericht-denken zou de zorg goed doen.”

Geef een reactie